| 2006 / 2007
Quarantaine
De stortvloed van beelden, de stroom van informatie, reclame en propaganda
lijken tegenwoordig een angst op te wekken, die de mensen meer en meer
is gaan beheersen en die ze op allerhande manieren trachten te bezweren.
Het maakt dat ze zich gaan afschermen. Een belangrijke, en bovendien
heel zichtbare bescherming wordt daarbij geleverd door de filtrerende
gelaatsstukken, oftewel de 'mondmaskers'.
Uitgangspunt en werkwijze waren bij mijn jongste werken aanvankelijk
nog dezelfde. Krantenfoto's over het SARS-virus vormden januari
2005 de aanzet voor een reeks portretten van Aziaten met mondmaskers.
Omdat de onderliggende dreiging en angst zich niets gelegen laten liggen
aan culturen, staten, rassen of klassen, werden vervolgens portretten
van over de hele wereld bijeengezocht en van mondmaskers voorzien, en
ontstonden er afzonderlijke portretten. De keuze van de foto's
werd bepaald door de uitdrukking van de ogen en het voorhoofd. Immers,
als de mond bedekt is, moeten de ogen spreken.
Tonen mijn voorafgaande portretten een door de omgeving aangetaste mens
in veelvoud, nu zijn het individuele mensen die zich juist beschermen
tegen een mogelijke aantasting. En de vormen, kleuren en texturen van
die bescherming veranderen op hun beurt de identiteit van die mensen
weer. Ongemerkt lijken ze ermee te vergroeien of te versmelten: soms
verdwijnt de grens tussen mondmasker en gezicht, soms loopt het mondmasker
als het ware door in de achtergrond of is de textuur van het masker
ontleend aan de omgeving of de achtergrond.
Mijn werk is geen hermetische kunst, maar veeleer kunst die de hermetische
mens afbeeldt. Achter zijn eigen technologie van de bescherming wordt
de kwetsbare mens weer zichtbaar. Mijn portretten spiegelen de broosheid
van het leven - en de jacht naar het wezen laat zich niet scheiden
van het spel van de schijn.
1999 t/m 2005
De laatste jaren zijn mijn werken somberder
en soms zelfs onheilspellend geworden. Ze vormen de neerslag van onbestemde
pessimistische indrukken en gevoelens. Het leven lijkt weliswaar betrekkelijk
ongedwongen, zeker en veilig, doch tal van mensen zitten opgesloten
in dit zelfgeschapen paradijs en worden door diezelfde omgeving zo bepaald
en beperkt dat hun unieke karakter nauwelijks nog te herkennen is. De
mens mag in wezen een groepsdier zijn, maar is als zodanig al te snel
geneigd, of voelt zich al te zeer genoodzaakt op te gaan in een soort
van kudde. Door een druk die als van bovenaf opgelegd wordt ervaren,
verwordt hij tot een nummer, tot een getal in een zinloze vermenigvuldiging.
Om deze indruk en dit gevoel over te brengen keer ik het in mijn werk
om. Ik maak meerdere portretten van een en dezelfde persoon, met slechts
minimale veranderingen ter onderscheiding en ik toon deze 'mensen' ingekapseld
door de 'buitenwereld', erdoor aangetast, onttakeld, of vrijwel opgegaan
in de omgeving. Soms plaats ik een zwaar aangezette last op de hoofden
om de gevoelde druk zichtbaar te maken. Ze zijn gedoemd die dag aan
dag te verdragen, al dreigen ze voortdurend eronder te bezwijken.
De buitenwereld is in mijn werken aanwezig in de vorm van een verzameling
krantenfoto's. Ze lijken een concreet aanknopingspunt te bieden, maar
blijken veelal geënsceneerd of berusten op suggestief toeval. Ik
selecteer de foto's, haal ze uit de context van de actualiteit en bewerk
ze door handmatig of met behulp van de computer delen weg te halen,
toe te voegen of te vervormen. Daarmee verliezen ze hun oorspronkelijke
informatieve gehalte geheel en al, maar wordt hun grimmige, deformatieve
karakter bijna tastbaar.
De bewerkte krantenfoto's kunnen op hun beurt weer aanleiding zijn voor
nieuwe schetsen of experimenten met andere materialen, waarbij ik herhaaldelijk
op een dubbelzinnigheid van het beeldende materiaal stuit. De kenmerken
van natuursteen, metaal of fluweel zijn enkel illusoir, maar daarmee
in de fragiele portretten van betekenis. Daarbij ontstaat er zowel een
gelaagdheid in het beeld alsook een gelaagdheid in te tijd: op MDF als
drager gebruik ik verschillende soorten papier en lijm, klassieke materialen
als potlood, pastel en contékrijt, naast moderne als acryl en
viltstift. Soms zijn de werken niet of nauwelijks gelakt zodat de kwetsbaarheid
zichtbaar blijft, soms moet een dikke laklaag de restanten bijeenhouden
en conserveren.
In mijn oeuvre van portretten probeer ik het moment te fixeren waarop
de mens bezwijkt, uiteenvalt en verdwijnt. De transparante gelaagdheid
resulteert in een raadselachtige en vaak onbehaaglijke onzichtbaarheid:
de afzonderlijke, concrete mens wordt een illusie. Het toont het schaduwrijk
van mensen die in het maken worden gebroken. |
|